Een heilige gemeente
Als we kijken naar het bijbelse begrip ‘gemeente’ (het Griekse ekklesia), dan zien we dat heilig-zijn een kenmerk bij uitstek is. In 1 Petrus 2:9 wordt de gemeente beschreven als ‘een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk’. Deze vier eretitels, die eerst voor Israël golden, worden nu toegepast op de gemeente (zie Ex. 19:6; Jes. 43:20,21).
Christenen zijn door God geroepen tot de gemeenschap van Zijn Zoon, Jezus Christus (1 Korinthe 1:9). Hierin zien we de eerste betekenis van ‘heilig’: apart gezet voor de dienst van God. Door de doop zijn we, als teken van het verbond, in de christelijke kerk ingelijfd en onderscheiden van de wereld (Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 74).
Daarnaast heeft ‘heilig’ ook een tweede betekenis. God wil onze heiliging. Het is het gebed van Christus Zelf: ‘Heilig hen in Uw waarheid’ (Johannes 17:17). Dat betekent dat God van ons vraagt dat wij, als leden van de gemeente, steeds meer het beeld van Christus vertonen. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament klinkt daarom de oproep: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’ (Leviticus 19:2; 1 Petrus 1:16).